Man in de thuiszorg [2]

“Vrijdag mag je naar meneer X. Hij heeft maar één arm. Ik denk dat je alledrie de uren wel nodig hebt, en meestal is dat zelfs nog te weinig. Hier heb je de sleutel, want hij is weg als jij komt. Succes!”

Eerst toch maar eens aanbellen, denk ik als ik voor zijn deur sta. Je weet maar nooit. Geen reactie. Ik steek de sleutel in het daarvoor bestemde gat en open de deur. Een kat, of wat daarvan over is, staat me al op te wachten in de gang. Inderdaad, wat van die kat over is. Het lijkt meer op een zichzelf voortslepende pluizenbol, zo verwaarloosd ziet ‘ie eruit - terwijl hij me met twee angstige kattenogen aanstaart. De gang ziet eruit alsof er een paar weken geleden enkele van zijn soortgenoten zijn ontploft: bergen kattenschijt vastgekoekt aan de vloer en overal waar je kijkt liggen plukken kat. Bovendien is de stank (een mengeling van een mannentoilet dat twee jaar niet is schoongemaakt en rottende kat) niet te harden. Even overweeg ik de eer aan mezelf te houden en rechtsomkeert te maken; ik mag dan inmiddels ongeveer vrij van smetvrees zijn - er zijn grenzen. Maar ik verman me en neem me voor de rest van het huis eerst maar eens te inspecteren.

Als er in de gang al enkele katten ontploft waren, dan moeten het in de keuken enkele bermbommen geweest zijn. Zoveel ranzigheid bij mekaar heb ik nog niet eerder gezien. Ook hier is de vloer weer bruin van de aangekoekte kattenpoep, overal kattenbrokjes, grote lege boodschappentassen her en der, een boodschappenwagentje met wieltjes (de bejaardenversie) maar het aanrecht spant de kroon: vies bestek met kattenvoer en etensresten eraan, smerige borden, lege wijnflessen en bierblikjes en andere ondefinieerbare zooi. Ik kijk direct uit waar ik mijn voeten neerplant en probeer niets aan te raken vanwege een onderbuikgevoel dat me vertelt dat deze keuken een besmettingsbron pur sang is van elke denkbare dodelijke bacterie. Met lood in de schoenen (gelukkig blijft het voorlopig bij lood) vervolg ik mijn onderzoek van Huize Vuilnisbelt. Terug in de gang manoeuvreer ik me tussen de kattenresten door richting de woonkamer, terwijl ik enkele kattenbrokjes plattrap op een streep vloerbedekking dat naar een dartbord aan de muur leidt. Ik had het kunnen weten: darten is één van de weinige sporten waarbij twee armen handig, maar niet per se vereist zijn.

Eén blik in de woonkamer boort alle hoop op leefbaarheid de grond in. Over de plukken kattenvacht heen zie (en ruik) ik de zithoek die geflankeerd wordt door resten van kant-en-klare maaltijden en andere tekenen van chronische luiheid: een gourmetstel dat zo te zien halverwege de klus is uitgezet, lege pizzadozen, flessen frisdrank en blikjes energiedrank, knijpflessen met allerhande sauzen, geopende en ongeopende post en dergelijke dingen meer. Na walging, verbazing en medelijden begint nu de verontwaardiging te overheersen; één arm oké, maar dat neemt niet weg dat je je huis laat verworden tot een Braziliaanse vuilnisbelt! Stofzuigen kan best met één arm, en fatsoenlijk koken ook – al heb ik dat begrijpelijkerwijs nog nooit geprobeerd. Afwassen lijkt me iets lastiger. Misschien dat meneer om die reden het stadium wat daaraan voorafgaat ook maar overslaat.

Ondertussen sta ik nog steeds met mijn jas aan, want ja: waar laat je je jas als je middenin een vuilnisbelt staat? Ik wil ‘m achteraf ook weer aankunnen. Ik zet mijn tas op een oude bureaustoel die nutteloos middenin de kamer staat, en daarop drapeer ik met uiterste precisie mijn jas zodat ‘ie de stoel niet raakt. Dit klusje ga ik inderdaad niet in drie uur klaren. Gelukkig was mijn moeder zo wijs me ooit van die witte doktershandschoenen mee te geven toen ze hoorde dat ik in de thuiszorg actief was, en die had ik uit voorzorg al meegenomen. Aantrekken die rubberen dingen.


De bange kat volgt me waar ik ga, alsof hij in jaren geen mens is tegengekomen. Ik sluit het beest op in de woonkamer (bij mijn tas en jas bedenk ik later, maar goed, die zal hij niet direct opeten) en loop naar de badkamer. Als het goed is gebruikt de man daar vaak water, dus die ruimte zal het minst ranzig zijn; dat blijkt te kloppen, alhoewel een zwerver er nog steeds niet blij mee zou zijn. Meneer  heeft blijkbaar vijf doploze spuiten scheerschuim tegelijk nodig en minstens zoveel scheermesjes. Ik scheer me weg zodra die wastafel er weer toonbaar uitziet en ga het toilet schoonmaken. Wat ben ik blij met mijn handschoenen.
Dan is de huiskamer aan de beurt. De stofzuiger kleeft aan m’n handen. Naast de bank staat een kast met ongeveer tweehonderd dvd’s (ja, ik heb ze snel geteld) en tegenover de bank glimt een plat tv-scherm je tegemoet met afmetingen waar het Veluwemeer jaloers op zou. Tja, voor een afstandsbediening heb je inderdaad maar één arm nodig. De etensresten op de tafel mag meneer zelf opruimen – I’m crazy Henkie not.

Als ik de vloer van de gang en de keuken inclusief aangekoekte kattenschijt heb schoongemaakt, vind ik dat de ontgroening bij ‘de man met één arm’ wel weer lang genoeg geduurd heeft. Dan kom ik erachter dat ik toch met mijn eigen handen de vieze rubberen handschoenen aan moet raken. Dat moet dan maar. Handjes wassen bij de smerige kraan en wegwezen. Met grote zorg pak ik mijn tas en jas van de harige bureaustoel, en ik gun de kat een snelle blik ten afscheid. De gedachte om de dierenambulance te bellen en één of andere zorginstantie die komt peilen of het wel zo verstandig is dat meneer zelfstandig woont, druk ik weg. Met twee handen.    

 

Plaats reactie


Om spam tegen te gaan, verzoeken we je om onderstaande tekst over te typen voordat je je reactie verstuurt. Beveiligingscode
Vernieuwen

Inloggen hidden