Dikke druppels zigzaggen over zijn rug. Hij is nog maar net begonnen, en de hitte heeft ‘m nu al te pakken. De tien kilometer die hij normaal in het uurtje loopt zal hij niet meer halen. Meer dan een uurtje per week heeft hij niet. Te druk. Het uurtje rennen is het enige moment in de week waarin hij even aan niets anders hoeft te denken. Maar z’n gedachten loslaten lukt hem niet vandaag. Al een tijdje niet meer. Ook de muziek uit zijn koptelefoon brengt hem niet tot rust.
Misschien komt het doordat ik in een dorp ben opgegroeid, maar zet mij in een trein naar een “grote” stad en ik val van de ene in de andere verbazing, helemaal als ik in de spits reis. Ik verwonder me er sowieso steeds weer over dat er toch wel zo’n achttien mensen in het tussenstuk van een treincoupé gepropt kunnen worden en ik ben ook elke keer weer blij verrast dat iedereen min of meer ongeschonden de trein weer verlaat. Weet je waar ik al met al echter het meest van op kijk? Dat mensen eigenlijk heel raar zijn.
De wereld waarin we leven is een verdorven wereld, horen we vaak. Na de zondeval is het goede verdwenen. Maar soms, als ik zulke sombere dingen hoor, denk ik: waar zien wij God dan nog op deze aarde? Hij is niet helemaal verdwenen en Zijn voetstappen zijn overal te vinden. Waar is God?
worde' gehad. Heel de dag speelde de internetverbinding een welles nietes spel wat hij helaas ook won, arme ik en arme jij maar vandaag ben ik er weer. Met een blog over Kerst. Hoe afgezaagd moet dit wel niet klinken...
Ik schijn op vreemde dingen af te knappen. Hoe een meisje eet bijvoorbeeld. Eet ze eens iets anders dan ze kent en eet ze ook nog alles op, dan zijn we voor elkaar bestemd. Maar lust ze niets en laat ze steevast haar halve bord staan, dan scheiden onze wegen per direct.
Sinds dit seizoen ben ik leidster van een van de meisjesclubs in onze kerk. 11 sprankelende meiden van een jaar of 9 verdragen elke dinsdagavond mijn gezelschap. Ik probeer ze samen met mijn medeleidsters te onderwijzen ‘in de Schriften’ en laat ze daarna in recordtempo allerlei frutselwerkjes in elkaar flansen.
Zo één keer per jaar vind ik het heel jammer dat ik volwassen ben. Of althans, aan het worden ben. Nou ja, wat ik eigenlijk bedoel: dat ik in elk geval geen kind meer ben. Tenminste, van binnen misschien nog wel een beetje maar niet meer van buiten. Zo, dat punt is duidelijk hoop ik:). Wat ik maar wil zeggen, is dat het kind-zijn zeker grote voordelen heeft. Zo kan je elk jaar een keer in december je schoen zetten met een wortel of wat hooi erin en er verzekerd van zijn dat er de volgende ochtend wat in zit.
middelbare school. De docent stond bekend om zijn driftbuien, waar ik behalve voor de stof ook voor vreesde.
Soms hoor je een liedje voor de ziljoenste keer en juist die keer hoor je opeens wat er gezongen wordt. Dat kan gebeuren als je met een vroom gezicht in de kerk zit en uit alle macht probeert je te concentreren op de inhoud van een psalm in plaats van op de soms onmogelijke melodieën – dit kan overigens ook aan mijn zangkwaliteiten te wijten zijn – maar het kan net zo goed gebeuren als je in de supermarkt een Sinterklaasliedje hoort.
Kan je het je nog herinneren? Ga eens 10 jaar terug in je gedachten. Weer even een klein kind zijn. Je leefde in een kleine wereld die toch zo ontzettend groot was. Er waren ontelbaar veel dingen niet te begrijpen. Kruispunten nog zo onoverzichtelijk, sloten breed en geheimzinnig diep. Gelukkig hoefde je alles ook niet te begrijpen. Papa en mama waren er immers, die wisten altijd wat er moest gebeuren en wat het beste was. Grote mensen, ja, die wisten hoe de wereld in elkaar zat.